Tagarchief: tekenen

Drs. Riet van der Linden, kunsthistorica over Maria Neefjes

Denkend aan Maria Neefjes. ‘La condition humaine.’

‘Ik vraag me weleens af, hoe al diegenen die niet schrijven componeren of schilderen weten te ontkomen aan krankzinnigheid, melancholie en het gevoel van angst en paniek, dat onlosmakelijk verbonden is met het menselijk bestaan’ . Dit schrijft Graham Greene in zijn boek: ‘Ways of Escape’ (Ontsnappingsmogelijkheden).

Maria Neefjes heb ik nooit gevraagd naar het waarom, maar ik meen te weten dat voor haar hetzelfde geldt: schilderen om onverschiligheid en wanhoop te vermijden. Een poging om zich te verzoenen met de wereld. Ik heb haar vaak horen praten over het schilderen als een vorm van ascese die haar hestaan terugbrengt tot de grootst mogelijke eenvoud en in al zijn naaktheid blootlegt. Het schilderen is deel van haar wezen, een manier om zich te verstaan, met zichzelf en met de wereld om haar heen. Haar beelden komen in series, als een gestadige golfslag, een voortdurende beweging; onontkomelijk ook, zoals eb en vloed worden gedicteerd door de aantrekkende krachten van zon en maan.

‘Kijken, liefde en verdriet zijn de hoofdthema’s in mijn leven’, schrijft Maria Neefjes bij een zelfportret uit 1990. En daaraan zou ik willen toevoegen: ‘melancholie’. Melancholie over het komen en gaan van de dingen, het komen en gaan van liefde; het komen en gaan van het leven zelf.

Zo is communicatie zelden meer dan een zelfgesprek. En zo ook hier. Ik herken, of meen te herkennen in Maria Neefjes, wat ik ken van mijzelf. Maar afgezien van deze relativering, vermoed ik dat ik mij desondanks niet ver van de waarheid bevind. Het is geen toeval dat de serie schilderijen waaraan Maria Neefjes afgelopen jaar werkte de mythe van de Phoenix tot onderwerp had: een vogel die zichzelf na 500 jaar levend verbrandde om verjongd uit eigen as te herrijzen. Het thema werd ingegeven door het bericht over een brand die ‘La Fenice’ (de Phoenix), een prachtig Venetiaans theatertje dat Maria Neefjes goed kende, nagenoeg in de as legde. Er was natuurlijk de oprechte treurnis en schrik om de vernietiging van dit theater. Maar ik ben er vrij zeker van, dat Maria Neefjes de brand van ‘La Fenice’ heeft aangegrepen, om zich langdurig en intensief te kunnen bezinnen op wat bij de Fransen zo mooi heet: ‘la condition humaine’.

De werkwijze van Maria Neefjes, het schilderen in series met steeds weer dezelfde thema’s, beschouw ik als een vorm van meditatie. Een poging om zich te verzoenen met de kringloop van het leven waaraan de mens ondergeschikt is. Want, wat voor het leven in het algemeen en voor de Phoenix geldt, geldt niet voor het individu. Elk mensenleven is uniek en eenmalig en dus per definitie eindig. Desondanks leven we graag met de illusie dat de dood niet altijd een onverbiddelijk einde hoeft te betekenen. We hopen voort te bestaan via onze kinderen of geloven letterlijk in een leven na de dood. Maar ook, en dat geldt in het bijzonder de kunstenaar, hopen wij voort te leven in onze intellectuele en artistieke arbeid. Individuele uitingen van emoties, denkprocessen, observaties en esthetische opvattingen die hun zeggingskracht behouden en tot anderen spreken, ook als we er zelf niet meer zijn. Geesteskinderen die door de tijd heen een bredere context krijgen en inzicht bieden in een tijdperk als geheel. Sommigen worden ankers voor een hele periode, anderen krijgen de meer nederige maar onmisbare functie toebedeeld van humus, de vruchtbare bodem waarop door nieuwe generaties kan worden voortgebouwd.

Er zijn veel manieren om te spreken over het werk van een kunstenaar. Ik spreek hier bewust niet over ontwikkeling van stijl, compositie of techniek, maar over de drijfveren van het kunstenaarschap zelf. Wie het kunstenaarschap zo serieus neemt als Maria Neefjes en daar het zwaartepunt van haar 1even legt, stelt zichzelf geen gemakkelijke opdracht. Het betekent lange dagen in de eenzaamheid van het atelier, teruggeworpen op jezelf. Alles binnen de onzekerheid of je werk ook bestaansrecht heeft buiten de werkplaats, of er genoeg geld binnenkomt om in je onderhoud te voorzien. Onzekerheden die zwaarder gaan wegen met de jaren. Een kunstenaar wordt niet verkozen om kunstenaar te zijn, het kunstenaarschap vereist geen diploma’s en je wordt er niet of slecht voor betaald. Kunstenaar-zijn, betekent risico nemen. Een kunstenaar is een figuur in de marge van het bestaan. Een ‘nar’, die juist vanuit die niet helemaal serieus te nemen positie van zot en buitenstaander, een openheid kan creeren en een gehoor vinden voor het niet gangbare, de kracht van de fantasie. Juist van die beeldende, persoonlijk getinte logica en denkwereld van de kunstenaar, kan een heel directe en stimulerende prikkel uitgaan op de omgeving. Het gaat erom de avonturier in ieder van ons wakker te roepen.

Margriet de Moor over Maria Neefjes

Margriet en Maria
Margriet en Maria in de tuin Noordwijk.

TWEETAL.

Wij zijn samen opgegroeid. Maria en ik waren ‘Margriet en Maria’, in één adem genoemd in een gezin met tien kinderen waarin wij nummer vier en vijf waren. Een ideale positie, die privacy betekende want de oudsten werden als oudsten nu eenmaal erg serieus genomen door onze ouders, terwijl de jongsten als baby’s en kleuters het middelpunt waren van hun vertederde zorg.

Aangezien het huis met ook nog een inwonend dienstmeisje en vaak nog een oma overvol was, werden onze ruimte en tijd – de belangrijkste coördinaten in het leven – door onze moeder zeer strikt ingedeeld. Als ik denk aan de ruimte die ons tweeën thuis toekwam, verschijnt in mijn geest allereerst het ledikant op zolder waarin wij samen sliepen en doemt vervolgens de huiskamer op. Inderdaad: ik denk aan tafel -en – bed. Ons ledikant op zolder bevond zich op een plek die werkelijk niet gunstiger had kunnen zijn, namelijk naast een enorme kast met afgedankte boeken, met uit hun banden gevallen literaire meesterwerken die achter een gordijn waren weggestopt. We hoefden onze arm maar uit te steken of de liefdesgeschiedenissen en wraakexpedities kwamen al in ons directe bereik, samen met ons onder de dekens. De tafel stond natuurlijk beneden, midden in de huiskamer onder de lamp. Het is nu niet meer voor te stellen hoe rap een gezelschap van meer dan tien personen van de middagdis kan opstaan, borden en bestek afruimen, de tafel aan twee kanten inschuiven, smyrna kleed erover leggen en: klaar voor de twee meisjes die hun kleurpotloden en nieuwe schetsboeken al aandragen om de godganse woensdagmiddag te gaan zitten tekenen. Ja, we waren braaf, we waren zeer zoet, we stammen uit de tijd dat ouders nog tien kinderen kregen.

Het leuke van tekenen is het métier. Ogen en handen gaan volledig samen en lossen al doende de gekste dingen op. Het fijne is ook de stilte met een beetje geluid, gekras, geritsel, gesnuf: er bestaat geen betere atmosfeer om een zeer speciaal soort denken op gang te brengen. Was er een technisch probleem – ik herinner me ons verlangen om een damespump zowel en profil als van bovenaf weer te geven – dan overlegden we. Zoals we ook ‘s avonds en ‘s nachts over boeken beraadslaagden, die we erg mooi vonden, dat beslist, maar sommige hoofdstukken uit Madame Bovary of De Graaf van Monte Christo konden beter. Voor het overige ook dan weer geluiden: geritsel, gesnuf en een tijdloze stilte.

Ik denk dat wij elkaar in die jaren zonder het te weten een inspiratie hebben bezorgd die tot op de dag van vandaag aan de gang is. En dat we elkaar hebben gerustgesteld. Want kunst maken mag moeilijk zijn, het is vooral ook gevaarlijk vanwege de onherroepelijke stap die je hebt gedaan in een wereld die zich een tikje buiten de gangbare wereld bevindt en van zoiets kun je, zoals iedereen weet, gek, eenzaam of drankzuchtig worden. Dat wij in het begin met ons tweeën waren, elk binnen onze eigen verstrooidheid maar toch in intiem gezelschap, heeft ons voorgoed bemoedigd.

Maria is sindsdien verliefd op het kijken. Zij mobiliseert voor wat ze zeggen wil het zintuig oog. Ik ben een stuk kippiger en heb de omhaal van woorden nodig die, denk ik, uiteindelijk van de stem vandaan komen en zich dus richten op het oor. Maar het métier van onze handen bestaat nog altijd bij de gratie van potloden, pen, inkt, verf en papier: bij de uitgangspunten kortom, van onze jeugd.-

Margriet de Moor